Rekenkundig
1.Stelling
“Als we wereldwijd alle prijzen en lonen delen door eenzelfde factor, dan betekent dit een relatieve vermeerdering van het geld in omloop, en dat in verhouding tot de gekozen delingsfactor. Aangezien zowel deze factor variabel en de oefening oneindig herhaalbaar is, kan er in absolute zin nooit ergens een gebrek zijn aan geld”
2.Duiding
De bovenvermelde stelling ontkiemt uit de economische wetenschappen waarbij inflatie en deflatie als economische basisbeginselen gehanteerd kunnen worden. Zoals we weten is onze huidige wijze van economie voeren hoofdzakelijk van inflatoire makelij. Los van de vele afgeleiden van deflatie en inflatie, beperken we ons tot deze basisbeginselen. Wanneer we hierover het studiewerk raadplegen kunnen we, zonder hierover een oordeel te vellen, verschillende gevolgen noteren voor zowel inflatie als deflatie. Om ons in het juiste perceptieveld te brengen hieronder een niet limitatieve opsomming hiervan ;
Inflatie (ic stijging van prijzen)
- Geld wordt relatief gezien minder waard (induceert hogere lonen)
- Mensen kunnen minder sparen door hogere prijzen
- Er wordt minder kapitaal opgebouwd om te investeren
- Koopkracht daalt
- Opbouw van schulden
Deflatie (ic daling van de prijzen)
- Geld wordt relatief gezien meer waard (nominaal loon blijft hetzelfde)
- Stimuleert mensen om te sparen
- Kapitaal wordt opgebouwd waardoor er kan geïnvesteerd worden
- Er is meer geld om te investeren in een duurzame economie
- Koopkracht neemt toe
- Schulden kunnen afgebouwd worden
Belangrijke opmerking
In traditionele zin wordt inflatie en deflatie gezien als de verhoging of verlaging van de prijzen enkel, het is belangrijk te onthouden dat de stelling ook de lonen met eenzelfde factor verlaagt. Zo ook is het belangrijk dat de maatregel een mondiale samenwerking vereist of induceert.
3.Objectief rekenkundig
Vooraleer we de rekenkundige bewijsvoering starten is het belangrijk om enkele zaken te onthouden tijdens de oefening, dit zijn aandachtspunten waarnaar we op regelmatige basis verwijzen. De oefening wordt in eerste instantie eenvoudig voorgesteld om de transparantie te bewaren in dien verstande dat sommige voorstellingen niet geheel met de realiteit lijken overeen te stemmen, dit is een bewuste keuze om de oefening vanuit een omvattender perceptieveld te kunnen blijven volgen. De rol van de verschillende denkpatronen en/of percepties wordt in eerste instantie slechts zijdelings besproken en behoren tot het domein van de psychologische wetenschap. In deze oefening trachten we enkel de rekenkundige bewijslast te duiden, mits gebruik van de ceteris paribus conditie zal dit naarmate de oefening evolueert steeds duidelijker worden. De oefening wordt gezien vanuit een mondiaal perspectief en laat diverse reacties toe al naargelang de individuele situatie. De verschillende reacties zoals eigen aan gebeurlijke conditioneringen worden op een later tijdstip getoetst met het studiewerk dat hierover rapporteert, vanuit een integraal psychologische visie wordt geen enkele reactie als onbelangrijk geacht in functie van de vreedzame doelstelling die ermee beoogd wordt. De oefening richt zich in eerste instantie tot het louter monetaire luik, de relatie met de productie van goederen en/of het economische spel van vraag en aanbod (ic behoeftebevrediging) komt pas op een later tijdstip aan bod. In zekere zin beschouwen we dan ook – en in eerste instantie – natuurlijke grondstoffen als onuitputtelijk. In de oefening maken we gebruik van slechts enkele participanten, deze benadering lijkt in eerste instantie niet realistisch, doch is dit een bewuste keuze om de bewijslast sterker te accentueren. De participanten zijn Martine (M), Quinten (Q), Piet (P) en de Bank (B), deze kunnen of mogen gezien worden als de vertegenwoordigers van bevolkingsgroepen en/of louter individueel. Volgens het huidig monetaire systeem kunnen we als volgt begrijpen :
- Martine (M) = rijk
- Quinten (Q) = middenstand
- Piet (P) = arm
- Bank (B) = bemiddelaar, regulerend en beslissingsgerechtigd
De oefening en/of de bespreking van de geopperde stelling vertrekt vanuit een bepaalde situatie (A) zoals deze realistisch kan vastgesteld worden. We trachten in eerste instantie de woordkeuze toegankelijk te maken voor een breed publiek, zo ook de rekenkundige voorstellingen. Het is belangrijk om de verschillende opties goed te onderscheiden, zo ook de verschillende resultaten die een bepaalde optie zal induceren, het mengen van de verschillende denkpistes kan de objectiviteit van de oefening in gevaar brengen. Tijdens de oefening kan het ook lijken dat diverse zaken vergeten of weggelaten werden, dit is een bewuste keuze en komen later in het verhaal terug ter sprake wanneer we een verschillenanalyse opmaken. Het is in deze context dan ook belangrijk om eerst de volledige oefening te doorlopen alvorens we tot conclusies kunnen komen. Deze oefening komt tot stand op basis van diverse reacties en dialogen van diverse pluimage, zowel positief als negatief. Deze reacties zien we in eerste instantie los van de rekenkundige bewijslast, en worden verder behandeld door de psychologische of geesteswetenschap. De oefening kent een aanvang met een bepaalde situatie op een willekeurig moment in de tijd, representatief voor een mondiale wereld en in lijn met maatschappelijk aangenomen systemen en/of handelspraktijken :
A. Situatieschets :
- Martine (M) heeft spaargeld ter waarde van 10.000, plaatst dit op de bank
- Quinten (Q) heeft spaargeld ter waarde van 1.000, plaatst dit op de bank
- De Bank (B) heeft een schuld jegens Martine en Quinten ter waarde van 11.000
- Piet (P) heeft geen spaargeld en een lening bij de bank ter waarde van 11.000
- De Bank (B) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 11.000
Zoals bij de opening meegegeven kunnen de participanten zowel gezien worden als individuele wereldburgers of als representanten binnen een wereldbevolking die in verhouding tot louter monetaire rijkdom in klassen kan verdeeld worden. Op deze manier kan bvb Martine (M) gezien worden als een groep van mensen die we in dit geval als ‘monetair rijk’ beschouwen, op dezelfde manier kan Piet (P) de groep ‘monetair arm’ vertegenwoordigen. De vereenvoudigde voorstelling doet geen afbreuk aan de bewijslast, het beoogt enkel de transparantie te vrijwaren, de relationele verbondenheid kan dan ook afgeleid worden met behulp van de participanten zoals voorgesteld. We spreken ons hier niet uit over een subjectief geluksgevoel of welbehagen, doch zullen we dit in sommige gevallen niet kunnen uitsluiten om de oefening verder te dragen. De situatie is zoals ze is en doet een beroep op onze creativiteit en inlevingsvermogen van waaruit talloze opties zullen blijken. In het beste geval mag de oefening bijdragen tot maatschappelijke problemen zonder dat één of andere participant uitgesloten wordt van een menswaardig leven, wat daar ook rechtmatig onder begrepen kan of mag worden. We menen dat de openingssituatie voor zich mag spreken en op dit moment geen verdere toelichting vereist, in de loop van de oefening zullen we herhalend hiernaar verwijzen.
B. In het kort, volgens de stelling :
Teneinde een duidelijker beeld te krijgen van de voorwaarden waarbinnen de bewijslast gezien kan worden, is het niet onbelangrijk om voorafgaandelijk een en ander te duiden, zij het initieel kort :
1.Optionele delingsfactor (10) en geldvoorraad
Om de oefening inzichtelijk te maken hanteren we een delingsfactor van 10, deze factor is makkelijk hanteerbaar voor diverse berekeningen. Deze factor wordt bewust gekozen en kan in eerste instantie als ‘onwaarschijnlijk’ gepercipieerd worden. In eerste instantie kunnen of mogen we deze onwaarschijnlijkheid bijtreden maar staat los van de rekenkundige en objectieve bewijslast, of deze onwaarschijnlijkheid inderdaad nog geldt na de oefening valt af te wachten. Door gebruik te maken van deze optie kunnen we diverse resultaten sterker accentueren waardoor ook navolgende evaluaties duidelijker kunnen begrepen worden. Wanneer we spreken over een deling van lonen en prijzen, is het belangrijk om weten dat de geldvoorraad niet gedeeld wordt. Eenvoudig gesteld kunnen we de geldvoorraad zien als de rekenkundige optelsom van alle briefjes en munten die zich in het economische circuit bevinden.
Deze geldvoorraad (G) kan opgedeeld worden in de zgn ‘actieve kas’ en de ‘inactieve kas’. De ‘actieve kas’ is dat geld dat continue in gebruik is en gebruikt wordt om courante transacties mee te verrichten, we kunnen het dan ook transactiegeld noemen. De ‘inactieve kas’ daarentegen is het geld dat in principe in reserve wordt gehouden en is dus niet onmiddellijk noodzakelijk om te overleven. We noemen dit in de oefening het spaargeld en vormt een deel van het geld in omloop, tezamen met de actieve kas. Voor de oefening is een dergelijke opsplitsing van minder belang, doch bruikbaar bij sommige voorstellingen. Naargelang de noden en/of mogelijkheden zal er steeds geld stromen van de actieve kas naar de inactieve kas en vice versa, de totaliteit van de geldhoeveelheid verandert in de oefening niet, geen onbelangrijk aandachtspunt en te beschouwen als een ceteris paribus conditie. Een dergelijke conditie ‘bevriest’ de variabele om vervolgens te kunnen afleiden welke impact deze heeft op het geheel van economische betrekkingen en/of geldtransacties.
Eenvoudiger gesteld is de ‘actieve kas’ het geld dat rolt van de ene hand in de andere, de ‘inactieve kas’ kan als reserve gezien worden. De totale maatschappelijke geldvoorraad G zal zich altijd ergens in kas bevinden. Het geld zit in het algemeen verdeeld over de beide kassen G1 en G2. G1 is de geldhoeveelheid in de actieve en G2 de geldhoeveelheid in de inactieve kas. Er moet dus gelden: G1 + G2 = G. Voor de transparantie van de oefening nemen we een constante ‘inactieve kas’ ad. 11.000 van waaruit we de relatieve vermeerdering ventileren, ondanks het gedeelte van de ‘actieve kas’ een rol speelt, hechten we hier een minimale waarde aan. De ‘actieve kas’ is ook te begrijpen binnen de constante geldvoorraad, het weglaten van dit aandeel doet echter geen afbreuk aan de oefening die we hier conceptmatig voorstellen.
2.De delingsfactor is variabel
De gekozen factor 10 is een bewuste keuze om de oefening transparant te maken, elke verwijzing naar het risico dat bestaat op hyperinflatie of aanverwante fenomenen, zijn dan initieel ook buiten beschouwing te laten. Althans, deze risico’s liggen meer besloten binnen de subjectieve waardering en de acties van de diverse participanten en staan los van de rekenkundige bewijsvoering. Het spreekt dan ook voor zich dat andere variabelen evengoed bruikbaar zijn, conceptmatig zullen ze geen afbreuk doen aan de bewijslast voor de stelling.
We zouden bvb kunnen opteren om een daling van 5 % voor te stellen, zoals ook een graduele benadering naargelang de noden binnen de maatschappij, evenzeer kunnen we opteren om de factor groter te maken. Hoe groter de factor, hoe groter de relatieve vermeerdering van het geld in omloop. De mondiale delingsfactor kan eenvoudig gezien worden als deflatie, een economisch basisbeginsel dat in symbiose met inflatie toelaat de economische balans te realiseren, onderhouden en/of herstellen. In tegenstelling tot een hoofdzakelijk inflatoire economie toetsen we welke impact een dergelijk mondiale deling kan hebben, een oefening die de bereidheid tot samenwerking ambieert, induceert en/of bekrachtigd. Naarmate de oefening vordert zal een en ander duidelijker worden.
3.De oefening is herhaalbaar
De herhaalbaarheid van de oefening is van bijzonder belang zoals we tijdens de oefening zullen kunnen vaststellen. Niet enkel is de delingsfactor variabel, de oefening kan ook een oneindig aantal keer doorgevoerd worden. Deze wetenschappelijke falsifieerbaarheid leidt ertoe dat diverse meningen geneutraliseerd kunnen worden, de maatregel kan dan ook beschouwd worden als een neutraliserende attractor. Hoe we de term ‘neutraliserende attractor’ beter kunnen begrijpen, is taak van de natuurwetenschappen (bvb chaostheorie) maar kan ook middels deze strikt rekenkundige oefening duidelijker worden. Op dit punt in de oefening kunnen we slechts enkele raakvlakken met andere wetenschappen duiden, hiermee geven we aan dat de oefening veel omvattender is dan in eerste instantie kan gedacht worden. In onderstaande bewijsvoering beperken we ons echter tot de relativiteit der getallen, pas in een latere fase plaatsen we de oefening binnen het wetenschappelijke onderzoek zoals voor ons allen beschikbaar werd gesteld.
C. Gevolg van de decimering :
- De koopkracht verandert niet (ic loon versus product)
- Het geld in omloop wordt relatief en mondiaal gezien vertienvoudigd
D. Kiesbare opties, vanuit het standpunt van de Bank (B) :
- vordering EN schuld worden NIET gedecimeerd
- vordering NIET gedecimeerd EN schuld WEL
- vordering EN schuld worden WEL gedecimeerd
- vordering WEL gedecimeerd EN schuld NIET
E. Het vervolg is afhankelijk van :
- Waar het liquide geld zich fysiek bevindt
- Wat de bezitter ervan op dat moment beslist
- Bereidheid tot samenwerking
F. Situationeel, de opties voor de participanten :
Piet (P)
- lost 11.000 af aan de bank (ic heeft het geld nog in zijn bezit)
- lost 1.100 af aan de bank, is dan relatief rijker geworden
Martine (M)
- ontvangt 10.000 van de bank, is dan relatief rijker geworden
- ontvangt 1.000 van de bank, is niet armer geworden
Quinten (Q)
- ontvangt 1.000 van de bank, is dan relatief rijker geworden
- ontvangt 100 van de bank, is niet armer geworden
G. Combinaties voor de participanten (M,Q en P), 4 opties :
- P(1) + M(1) + Q(1)
- P(1) + M(2) + Q(2)
- P(2) + M(2) + Q(2)
- P(2) + M(1) + Q(1)
H. Vanuit het standpunt van de bank :
Bank (B)
- ontvangt 11.000 van Piet, geeft aan Martine en Quinten respectievelijk 10.000 en 1.000 terug, de bank wordt noch rijker, noch armer
- ontvangt 11.000 van Piet, geeft aan Martine en Quinten respectievelijk 1.000 en 100 terug, de bank wordt rijker
- ontvangt 1.100 van Piet, geeft aan Martine en Quinten respectievelijk 1.000 en 100 terug, de bank wordt noch rijker, noch armer
- ontvangt 1.100 van Piet, geeft aan Martine en Quinten respectievelijk 10.000 en 1.000 terug, de bank kan dit niet betalen en gaat bankroet
I. Uitsluiting optie 4
Gezien het negatieve resultaat in relatie tot het bankwezen van optie 4 (P(2) + M(1) + Q(1)), wordt deze keuze uitgesloten van de oefening. Deze optie wel bruikbaar achten zou tot de ineenstorting kunnen leiden van het monetaire stelsel zoals heden gekend, gezien de thans heersende economische crisis zou deze het vertrouwen kunnen schenden. Merk hierbij op dat deze uitsluiting geen afbreuk doet aan de objectieve bewijslast van de oefening, dit besluit vloeit voort uit de situatie zoals ze is op dat moment in de tijd. De opties waarmee de oefening verder gezet wordt zijn derhalve ;
- P(1) + M(1) + Q(1)
- P(1) + M(2) + Q(2)
- P(2)+ M(2) + Q(2)
J. Uitsluiting optie 3
Wanneer we optie 3 (P(2) + M(2) + Q(2)) nader beschouwen, zien we dat Piet (P) onder de voorwaarden zoals gesteld relatief rijker wordt. Strikt rekenkundig kunnen we dit niet ontkennen, de realiteit zal ons echter bijkomende moeilijkheden bieden en wel om volgende redenen ;
- In de oefening gaan we er vanuit dat het geld van de lening nog steeds in het bezit is van Piet (P), in de praktijk kan dit geld reeds uitgegeven zijn voor het product dat onderwerp was van de lening zelf. Dit betekent dat het fysieke geld (zie ook E.1.) zich elders bevindt waardoor niet Piet (P) rijker wordt dan wel een andere partij die het geld op dat moment ‘in hand’ heeft. In dit geval is er voor Piet niets gewijzigd en zal hij in verhouding tot zijn gedecimeerd loon relatief gezien eenzelfde bedrag moeten terugbetalen aan de bank. Het bedrag ad. 11.000 werd bij deze optie weliswaar gedecimeerd naar nominaal 1.100. Merk op dat deze vaststelling geen afbreuk doet aan de relatieve vertienvoudiging van het geld in omloop, de spontane kapitaalsinjectie wordt enkel elders zichtbaar. En hiermee komen we ook tot het punt dat een en ander afhankelijk is van wat de bezitter op dat moment in de tijd doet met de relatieve vertienvoudiging zoals rekenkundig aangetoond (zie ook E.2.). Op deze problematiek komen we later terug.
- Wat belangrijker kan geacht worden bij optie 3, is het feit dat de rechtmatige eigenaars (Martine en Quinten) zich benadeeld kunnen voelen wanneer Piet deze kapitaalsinjectie toebedeeld krijgt. Immers, Martine en Quinten hebben hiervoor in het verleden prestaties geleverd die resulteerden in de kapitaalsaccumulatie (ic 10.000 en 1.000 spaargeld). Los van het feit dat ze door de maatregel relatief niet armer geworden zijn, kan dit als oneerlijk beschouwd worden. In het geval dat Piet het geld daadwerkelijk nog ‘in hand’ zou hebben, zou hij rijker geworden zijn zonder enige prestatie, om deze reden is het opportuun om ook deze optie uit te sluiten van de oefening.
Vanuit een louter rekenkundig perspectief is deze uitsluiting niet noodzakelijk, vanuit een subjectief en gevoelsmatige benadering kan het wel raadzaam geacht worden. Hoe we ten persoonlijke titel de voorgestelde maatregel willen percipiëren behoort niet zozeer tot de economische wetenschap, dan wel ligt dit besloten in het vakdomein van de psychologische wetenschap. De resterende opties zijn derhalve ;
- P(1) + M(1) + Q(1)
- P(1) + M(2) + Q(2)
K. Relatieve vertienvoudiging
Vooraleer de oefening wordt verder gezet, is het raadzaam de relatieve vertienvoudiging meer in detail te duiden. Volgens de gegeven data veronderstellen we dat alle participanten (M,Q en P) eenzelfde loon ontvangen, zo ook nemen we een referentieproduct met eenzelfde waarde. De koopkracht wordt in eerste instantie gezien als de verhouding tussen het referentieloon en het referentieproduct (zie ook C.1.). Deze waarden blijven volgens de ceteris paribus conditie stabiel.
- referentieloon 1.000
- referentieproduct 100
- koopkracht 10
Toegepast op de gegeven data zal de deling van prijzen en lonen geen effect hebben op de koopkracht :
- referentieloon 100 (1.000 / 10)
- referentieproduct 10 (100 / 10)
- koopkracht 10 (status quo)
Zoals gesteld uit de maatregel zich in de relatieve vertienvoudiging van het geld in omloop. Zoals we weten kunnen we deze geldvoorraad splitsen in de ‘actieve kas’ (= geld dat rond gaat, inhoud hangt af van wat we verdienen) en de ‘inactieve kas’ (= geld gaat niet rond). Voor alle participanten (M, Q en P) geldt na de deling een loon van 100 waarmee ze 10 producten kunnen kopen van 10, hier is op dat moment niets gewijzigd voor geen van de partijen. Het geld in omloop blijft nominaal hetzelfde, dit bedrag is niet onderhevig aan de deling en kan dus gezien worden als de eenvoudige optelsom van alle getallen op munten en briefjes die zich ergens in het economische circuit bevinden, en dat betreft zowel de ‘actieve kas’ als de ‘inactieve kas’ . Gemakshalve veronderstellen we even dat Martine (M) en Quinten (Q) het spaargeld nog niet op de bank hebben geplaatst, in verhouding tot het referentieproduct dat voor de deling een waarde had van 100, kan zowel Martine als Quinten na de deling 10 maal meer kopen. Voor Piet (P) die geen spaargeld heeft, verandert er niets. Wat eenvoudig rekenkundig kan vastgesteld worden volgens de gegeven data :
‘Inactieve kas’ voor de deling
- Martine (M) : 10.000 / 100 = 100 stuks
- Quinten (Q) : 1.000 / 100 = 10 stuks
- Piet (P) : 0 / 100 = 0 stuks
‘Inactieve kas’ na de deling
- Martine (M) : 10.000 / 10 = 1.000 stuks
- Quinten (Q) : 1.000 / 10 = 100 stuks
- Piet (P) : 0 / 10 = 0 stuks
Verschil
- Martine (M) : 900 stuks
- Quinten (Q) : 90 stuks
- Piet (P) : 0 stuks
Hiermee is de relatieve vertienvoudiging aangetoond, volgens punt E (1,2 en 3) is het vervolg sterk afhankelijk van de gekozen optie, de rekenkundige bewijslast is een feit dat we niet kunnen ontkennen vanuit de economische wetenschap en/of wiskundig perspectief. Hoe een en ander gewaardeerd wordt, is een psychologische aangelegenheid.
L. Problematiek
In de oefening zoals voorgesteld is het betrekkelijk eenvoudig om de relatieve kapitaalsinjectie aan te tonen, we gingen er vanuit dat Piet (P) het geleende geld nog steeds in zijn bezit had. Deze optie werd bewust gekozen om de rekenkundige bewijslast te accentueren waarna we de gevolgen hiervan kunnen evalueren. Rekenkundig is de relatieve kapitaalsinjectie een bewezen feit, in de praktijk zal echter het geld rollen van de ene hand in de andere waardoor de oefening schijnbaar complexer wordt, toch kunnen we niet ontkennen dat de hoeveelheid geld in principe dezelfde blijft. Deze geldhoeveelheid is bij een gelijke en mondiale deling van lonen en prijzen ten allen tijde onderhevig aan de relatieve vertienvoudiging (bij factor 10), ongeacht waar het geld zich op dat moment ook moge bevinden. Los van de persoonlijke waardering van de oefening, zien we dat de relatieve kapitaalsinjectie een eerder ‘onpersoonlijk’ karakter kent. De reden waarom we dit geld trachten toe te eigenen ten persoonlijke titel is een studieobject voor de psychologische wetenschap. Pro memorie de overgebleven opties in deze oefening ;
- P(1) + M(1) + Q(1)
- P(1) + M(2) + Q(2)
In beide gevallen zal Piet (P) de waarde van de lening ad. 11.000 dienen terug te geven aan de bank, wanneer hij dat geld nog in zijn bezit heeft, vormt dit geen probleem. Correcter is te stellen dat hij op dat moment in de tijd enkel de relatieve kapitaalsinjectie terug bezorgd aan de bank, het overschot dient hij af te betalen met zijn gedecimeerde loon. In verhouding tot het ontleende geld verandert er relatief gezien niets.
Voor de deling
- Loon 1.000
- Product 100
- Koopkracht 10
- Lening 11.000
- Loon versus lening 1/11
Na de deling
- Loon 100
- Product 10
- Koopkracht 10
- Lening 1.100
- Loon versus lening 1/11
De relatieve kapitaalsinjectie bedraagt in dit geval 11.000 minus 1.100, zijnde 9.900. In het geval Piet (P) dat geld nog in zijn bezit heeft, geeft hij dat fysieke geld terug aan de bank. Wanneer hij dat geld heeft doorgegeven in ruil voor een aangekocht product, dan is de toevoeging van een andere partij noodzakelijk. Dit laatste zal in de realiteit courant zijn en genoopt een uitbreiding van de oefening.
M. Uitbreiding
In het geval dat Piet (P) het geleende geld heeft doorgegeven in ruil voor een product, dan is de relatieve kapitaalsinjectie fysiek elders te vinden (zie ook C.1.). Strikt gesproken zouden we dan een ‘andere partij’ in het verhaal moeten betrekken, vanuit een louter rekenkundig perspectief wordt geopteerd om gebruik te maken van de reeds aanwezige participanten, hetzij ofwel Martine (M), ofwel Quinten (Q). Principieel maakt dit geen verschil wanneer de geldstromen en/of relationele verbondenheid inzichtelijk worden gemaakt. Zo ook, het spreekt voor zich dat die ‘andere partij’ het geld op zijn beurt kan doorgegeven hebben, op deze manier zou het aantal participanten dermate vergroten waardoor de eenvoud van de relatieve kapitaalsinjectie minder transparant wordt. De essentie van de voorgestelde theorie is om aan te tonen dat de totale geldhoeveelheid in relatieve zin vertienvoudigd, dit bedrag dient bij optie 1 (P(1) + M(1) + Q(1)) en 2 (P(1) + M(2) + Q(2)) op één of andere manier naar de bank terug te stromen. Vanuit de veronderstelling dat de ‘andere partij’ Quinten (Q) betreft :
Situatieschets
- Quinten (Q) heeft aan Piet (P) een product A verkocht ter waarde van 11.000
- Piet (P) heeft een product A, en een schuld aan de Bank (B) ter waarde van 11.000
Na de deling van lonen en prijzen
- Piet (P) heeft een product A ter waarde van 1.100
- Piet (P) heeft een schuld jegens de bank van 1.100
- Piet (P) dient 9.900 (zie L) terug te geven aan de Bank (B) maar heeft dit niet in z’n bezit
en
- Quinten (Q) heeft 11.000 fysiek in zijn bezit
- Quinten (Q) heeft recht op de verkoopprijs ter waarde van 1.100
- Quinten (Q) geeft de relatieve kapitaalsinjectie ad. 9.900 terug aan de bank
en
- De Bank (B) ontvangt 9.900 van Quinten (Q)
- De Bank (B) boekt deze 9.900 op rekening van Piet (P)
- De Bank (B) heeft hierna een vordering op Piet (P) van 1.100
Zoals de ceteris paribus conditie vooropstelde, lonen en prijzen blijven ook na de deling gelijk (en ook voor alle participanten gelijk in waarde). Hieruit volgt dat in relatieve zin er principieel niets is gewijzigd aan de verhoudingen zoals ze voor de deling bestonden. De kostprijs (zowel voor productie als verkoop) van een product (A) blijft relatief gezien in waarde evenveel. De relatieve kapitaalsinjectie is door de verschuiving van het fysieke geld waarneembaar bij de ‘andere partij’ (Quinten (Q)), aangezien de lening van Piet (P) in verhouding staat met het product (A), wordt logischerwijs ook de lening gedeeld door de optionele factor 10. Quinten (Q) kan door de deling van de grondstofprijzen in relatieve zin nog steeds zijn producten fabriceren en verkopen tegen de gedecimeerde verkoopprijs van 1.100, inclusief de winstmarge die procentueel gelijk blijft. Korter gezegd, er verandert niets aan de relationele verhoudingen, die blijven onder de gestelde voorwaarde in relationele en relatieve zin ongewijzigd. De Bank (B) heeft nu de relatieve kapitaalsinjectie terug ontvangen en zal vervolgens haar verplichtingen kunnen nakomen jegens de schuldeisers Martine (M) en Quinten (Q). Welke optie (1 of 2) finaal gekozen wordt, is afhankelijk van wie hieromtrent beslissingsrechten heeft (zie ook E).
N. Tussentijds
Toegepast op de gegeven situatie die als referentie gezien kan worden voor veel relaties waarbij vorderingen en schulden elkaar in evenwicht houden, werd nu de relatieve kapitaalsinjectie in het bezit gegeven van de Bank (B). In de praktijk zal de kwantiteit van het aantal verbindingen de complexiteit verhogen maar doet geen afbreuk aan het concept, we veronderstellen dat elke participant (zie ook E 1,2 en 3) daadwerkelijk z’n bijdrage levert opdat de relatieve kapitaalsinjectie (die zich nu in tastbare vorm uit) naar de Bank (B) stroomt. De Bank (B) speelt hierin een bemiddelende en regulerende rol, en heeft thans de relatieve en op zich ‘onpersoonlijke’ kapitaalsinjectie tastbaar ‘in hand’. Nu, op zichzelf kan deze oefening als onhaalbaar geacht worden aangezien alle participanten dienen samen te werken om een positief resultaat te boeken (zie ook E 1,2 en 3).
Herhalend, volgens de resterende opties (P(1) + M(1) + Q(1) of P(1) + M(2) + Q(2)) zou de Bank (B) in eerste instantie de relatieve kapitaalsinjectie tot haar beschikking moeten krijgen, aangezien het ‘geld in omloop’ circuleert doorheen de samenleving kon Piet (P) in het gegeven voorbeeld, en wanneer hij zijn lening had omgeruild voor product (A), de gemanifesteerde kapitaalsinjectie niet rechtstreeks aan de Bank (B) terugbezorgen. Onrechtstreeks is dit wel mogelijk wanneer Quinten (Q) deze actie onderneemt door een waarde ad. 9.900 (zie M. ‘Uitbreiding’) naar de Bank (B) te brengen, de Bank (B) boekt dan deze waarde op rekening van Piet (P) waardoor zijn schuld van de lening nominaal verlaagd wordt naar 1.100, en dat in tegenstelling tot de waarde 11.000 die voor de deling geboekt stond. Dit alles moge dan complex lijken maar net hier ontpopt zich een eenvoud die nu net door de gangbare praktijk gestimuleerd wordt. Naar ons voorbeeld :
Situatieschets voor de deling
- Quinten (Q) heeft aan Piet (P) een product A verkocht ter waarde van 11.000
- Piet (P) heeft een product A, en een schuld aan de Bank (B) ter waarde van 11.000
Na de deling van lonen en prijzen
- Piet (P) dient 9.900 (zie L) terug te geven aan de Bank (B) maar heeft dit niet in z’n bezit
- Quinten (Q) die dit geld wel in zijn bezit heeft, geeft de relatieve kapitaalsinjectie ad. 9.900 terug aan de bank (zie M)
- De Bank (B) boekt deze 9.900 op rekening van Piet (P)
De op zich onpersoonlijke kapitaalsinjectie die hier fysiek in het bezit was van Quinten (Q), werd aan de Bank (B) overhandigd. In realiteit is het een courante praktijk om geld op de bankrekening te plaatsen, het enige verschil dat hier vastgesteld wordt, is dat de waarde 9.900 op rekening van Piet (P) geboekt wordt ter decimering van de lening naar 1.100. Anders gezegd, we veronderstelden dat de bereidheid tot samenwerking noodzakelijk is om enig succes te boeken, de praktijk laat ons zien dat deze samenwerking er in zekere zin reeds is vanuit de automatismen die we ons over de eeuwen heen eigen hebben gemaakt. Hierdoor kunnen we concluderen dat de Bank (B) principieel deze relatieve kapitaalsinjectie reeds tot haar beschikking heeft. Technisch gezien, en na de deling, zou dan de Bank (B) enkel de waarden van de uitstaande leningen correct dienen aan te passen, en dat volgens de relaties van geldstromen zoals vast te stellen zijn. Recapitulerend – en het voorbeeld indachtig – is er nu een situatie bereikt van waaruit de keuze tussen optie 1 of 2 zich aanbiedt. Pro memorie :
Situatieschets voor de mondiale deling van lonen/prijzen (zie ook A) :
- Martine (M) heeft spaargeld ter waarde van 10.000
- Quinten (Q) heeft spaargeld ter waarde van 1.000
- De Bank (B) heeft een schuld jegens Martine en Quinten ter waarde van 11.000
- Piet (P) heeft geen spaargeld en een lening bij de bank ter waarde van 11.000
- De Bank (B) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 11.000
Resterende opties (zie G,H,I en J):
- vordering EN schuld worden NIET gedecimeerd
- vordering NIET gedecimeerd EN schuld WEL
In het geval dat Piet (P) het fysieke geld van de lening niet meer zelf ‘in hand’ heeft, is de teruggave van de relatieve kapitaalsinjectie fysiek te voldoen door een andere partij (ic Quinten (Q)). Aangezien het de gangbare praktijk is om geld op de bank te plaatsen, wordt de oefening vereenvoudigd en bekrachtigd door het thans heersende monetaire systeem. Tenzij iemand opteert om dat geld in een geldkoffertje te stoppen, heeft de bank deze ‘onpersoonlijke’ kapitaalsinjectie tot haar beschikking. Op dit punt in de tijd ontstaat dan volgende situatie :
Situatieschets na de deling :
- Martine (M) heeft spaargeld ter waarde van 10.000
- Quinten (Q) heeft spaargeld ter waarde van 1.000
- De Bank (B) heeft een schuld aan Martine en Quinten van 11.000 (optie 1) of 1.100 (optie 2)
- Piet (P) heeft geen spaargeld en een lening bij de bank ter waarde van 1.100
- De Bank (B) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 1.100
Martine (M) en Quinten (Q) hebben nog steeds een vordering die nominaal eenzelfde waarde kent als voor de deling. In verhouding tot de gedecimeerde prijzen zijn ze virtueel rijker geworden (zie K), wanneer hun vordering jegens de Bank (B) ook gedecimeerd wordt, dan worden ze niet armer. We veronderstellen dat de Bank (B) beslissingsrecht heeft over welke optie gekozen wordt, en kiest in eerste instantie voor optie 1 (P(1) + M(1) + Q(1)). Het resultaat is dan als volgt :
Optie 1
- Martine (M) is monetair rijker geworden, koopkracht gestegen (ic inclusief spaargeld)
- Quinten (Q) is monetair rijker geworden, koopkracht gestegen (ic inclusief spaargeld)
- Piet (P) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
- Bank (B) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
Bij deze optie (1) krijgen de rechtmatige eigenaars van het kapitaal (Martine en Quinten) een ‘return on investment’ (ROI) en zien ze hun prestaties gewaardeerd. Hiermee wordt dan ook tegemoet gekomen aan de, zij het gevoelsmatige, oneerlijkheid waardoor optie 3 (P(2)+ M(2) + Q(2)) in de eerste plaats werd uitgesloten van de oefening (zie ook J.2). Immers, zonder het startkapitaal van Martine (M) en Quinten (Q) had de Bank (B) nooit een lening aan Piet (P) kunnen verschaft hebben. Herinner dat bij optie 3 de ‘onpersoonlijke’ kapitaalsinjectie – en dat in hoeverre Piet (P) het geld van de lening nog in z’n bezit zou hebben – ‘in hand’ kwam van Piet (P) zonder dat hiervoor een tegenprestatie geleverd werd. Bij optie 1 zoals hier verondersteld speelt de Bank (B) haar rechtmatige rol als bemiddelaar op een dusdanige manier dat de relatieve kapitaalsinjectie toekomt bij Martine (M) en Quinten (Q) die initieel de Bank (B) het geld hebben verschaft. Hoe vervolgens Martine (M) en Quinten (Q) omgaan met deze situatie valt af te wachten en komen we later op terug (zie ook E, 1,2 en 3).
Bij optie 1 stellen we vast dat de Bank (B) niet rijker of armer wordt van de mondiale deflatieregel. Dit verandert wanneer optie 2 (P(1) + M(2) + Q(2)) gekozen wordt, we veronderstellen dat de Bank (B) hierover beslissingsrecht heeft, net zoals bij optie 1. In vergelijking met optie 1 wordt nu ook de schuld jegens Martine (M) en Quinten (Q) gedecimeerd waardoor volgend resultaat bekomen wordt ;
Optie 2
- Martine (M) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
- Quinten (Q) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
- Piet (P) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
- Bank (B) is rijker geworden, koopkracht verhoogd met de mondiale en relatieve kapitaalsinjectie
Vanuit het standpunt van de Bank (B) lijkt deze optie (2) de meest ideale om rijker te worden. Immers, geen van de andere partijen is armer geworden, zo ook werden alle relationele verhoudingen (schuld/vordering) gerespecteerd. De Bank (B) heeft op dit moment beschikking over de ‘onpersoonlijke’ kapitaalsinjectie zoals deze spontaan ontstaat zoals rekenkundig aangetoond. Hoe de participanten (M, Q en P) hierop reageren is een studieobject voor de psychologische wetenschap, economisch en/of louter wiskundig is de bank monetair rijker geworden. Net zoals bij optie 1 kunnen we ons vervolgens de vraag stellen hoe de Bank (B) met deze situatie zal omgaan, ook hier komen we later op terug.
O. Combinatie, optie 1 en 2
Vooralsnog werd de rekenkundige bewijsvoering strikt gescheiden gehouden tussen optie 1 en 2, bij optie 1 kregen Martine (M) en Quinten Q) hun relatief gelijkwaardige deel van de kapitaalsinjectie toebedeeld, bij optie 2 kwam de totale kapitaalsinjectie toe aan de Bank (B) en/of veronderstelden we een beslissingsrecht in deze context. Wanneer daartoe de bereidheid gevonden wordt (zie ook E. 1,2 en 3), kunnen deze twee opties gecombineerd worden tot een nieuwe optie. Optie 3 en 4 werden eerder uitgesloten van de oefening, de nieuwe optie zullen we derhalve optie 5 noemen. Deze nieuwe optie, en in de veronderstelling dat de Bank (B) hierover beslissingsrecht heeft zoals gesteld, laat toe dat een deel van de relatieve kapitaalsinjectie wordt uitgekeerd aan Martine (M) en Quinten (Q), de Bank (B) behoudt het overschot. Ondanks deze verhouding variabel kan zijn, opteren we gemakshalve voor een gelijke deling, zij het ieder 50 % van de kapitaalsinjectie en dat in verhouding tot de waarde van de schuld/vordering. Anders gezegd, de Bank (B) houdt 50 % op haar rekening, de andere 50 % van de spontane kapitaalsinjectie wordt verdeeld volgens het aandeel van het spaargeld dat in eerste instantie ter beschikking werd gesteld.
Optie 1 en 2, herhaald
- P(1) + M(1) + Q(1)
- P(1) + M(2) + Q(2)
Optie 5 stelt dat 50 % van de gemanifesteerde kapitaalsinjectie ad. 9.900 (zie ook M) evenredig verdeeld wordt over de participanten M en Q, de initiële en rechtmatige bezitters van het kapitaal voor respectievelijk 10.000 en 1.000 (voor de deling). In het geval optie 1 gekozen wordt, zouden zij volgende waarden ontvangen :
- Martine (M) : 9.900 * (10.000 / 11.000) = 9.000 of 90.90 %
- Quinten (Q) : 9.900 * (1.000 / 11.000) = 900 of 9.10 %
Het overschot (11.000 minus 9.900 =1.100) dient op dit moment nog afbetaald te worden door Piet (P), en wordt naargelang het contract met de Bank (B) op een later tijdstip doorgestort. Wanneer optie 5 gekozen wordt, dan wordt de waarde 9.900 gehalveerd (bij de gekozen variabele van 50 %). Volgens het gegeven voorbeeld, en gecombineerd met de Bank (B) :
- Martine (M) : 9.900 * (10.000 / 11.000) / 2 = 4.500 of 45.45 %
- Quinten (Q) : 9.900 * (1.000 / 11.000) / 2 = 450 of 4.55 %
- Bank (B) : 9.900 * (11.000 / 11.000) / 2 = 4.950 of 50 %
Naar analogie met vorige opties
- Martine (M) is monetair rijker geworden, koopkracht gestegen
- Quinten (Q) is monetair rijker geworden, koopkracht gestegen
- Bank (B) is monetair rijker geworden, koopkracht gestegen
- Piet (P) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
In dit geval zijn zowel Martine (M), Quinten (Q) en de Bank (B) monetair rijker geworden en is op dat moment hun koopkracht gestegen wanneer ze de relatieve kapitaalsinjectie omzetten in producten. Doen ze dat niet, dan is hun spaargeld verhoogd in verhouding tot de gedecimeerde prijzen zoals deze na de deling werden gevormd (zie ook K). Voor Piet (P) blijft de situatie onveranderd en hij zal zijn lening afbetalen net zoals voorheen, nominaal gedeeld door de delingsfactor (ic optie 10), relatief gezien ongewijzigd vis à vis het gedecimeerde loon (zie ook L). Vanuit het standpunt van de participanten kan optie 5 als volgt voorgesteld worden :
Optie 5
- P(1) + M(1)/2 + Q(1)/2
De Bank (B) heeft bij deze optie een deel van de onpersoonlijke kapitaalsinjectie tot haar beschikking, wanneer deze niet ingebracht wordt in het economische circuit, kunnen we deze voorlopig als reserve beschouwen, en dat vergelijkbaar met een ‘inactieve kas’ (zie ook K). De effectieve aanwending van deze kapitaalsinjectie werd nog niet behandeld, hierop komen we later terug. Rekenkundig stellen we vast dat middels optie 5 zowel Martine (M), Quinten (Q) en de Bank (B) monetair rijker geworden zijn.
P. Optie 6
Wanneer optie 5 daadwerkelijk gekozen wordt in wederzijds begrip, stellen we vast dat de onpersoonlijke kapitaalsinjectie een persoonlijke eigenaar krijgt, de participanten Martine (M), Quinten (Q) en de Bank (B) krijgen voor hun samenwerking een deel van deze spontane geldcreatie die ontstaat vanuit de relativiteit der getallen. Rekenkundig spreken we ons niet uit over de gelijkwaardigheid van deze verdeling, deze verdeling is op zich afhankelijk van de gekozen variabelen en herzienbaar volgens de noden zoals deze zich rechtmatig en gebeurlijk aanbieden. Rekenkundig is Piet (P) er niet slechter of beter van geworden, gevoelsmatig kan hij echter wel opperen dat er een ‘oneerlijkheid’ in het spel zit. Immers, optie 3 (P(2)+ M(2) + Q(2)) werd eerder om gelijkaardige redenen uitgesloten van de oefening (zie ook J.2.). Deze uitsluiting kwam als gevolg van het feit dat in dat geval Piet (P) de spontane kapitaalsinjectie – en in het geval dat hij het geld van de lening nog in zijn bezit zou hebben – tot zijn beschikking zou krijgen zonder enige prestatie in functie daarvan.
Volgens optie 5 en bij een mondiale delingsfactor 10 zoals optioneel gekozen werd, hebben de andere participanten (M en Q) een ROI ontvangen die, naar het gevoel van Piet (P), ver buiten proportie ligt van de prestaties die hiertoe geleverd werden. Ongeacht deze waarnemingen besloten liggen binnen de subjectieve waardering van de gegeven situatie, kunnen we echter wel ook Piet (P) een deel van de spontane kapitaalsinjectie toekennen. Hiermee komen we dan ook terug tot de voorwaarden die cruciaal werden geacht voor het verdere vervolg van de oefening (zie ook E, 1,2 en 3). Hier werd verondersteld dat het resultaat van de maatregel sterk afhankelijk is van de bereidheid tot samenwerking. Strikt rekenkundig kunnen we dan ook Piet (P) een nader te bepalen deel van de onpersoonlijke kapitaalsinjectie toekennen, ook hier zijn de variabelen te kiezen door diegene die hieromtrent beslissingsrecht heeft. In de oefening zoals voorgesteld veronderstelden we dat de Bank (B) deze bevoegdheid kreeg, de Bank (B) bepaalt bij optie 6 dan ook het deel van Piet (P) waarvan geacht kan worden dat het in verhouding staat tot de prestaties van Martine (M) en Quinten (Q). Deze bepaling zou beslist tot meningsverschillen kunnen leiden, objectief rekenkundig veronderstellen we dat Piet (P) in eerste instantie 10 % van de mondiale kapitaalsinjectie rechtmatig toekomt. De Bank (B) kiest ervoor dat deze 10 % wordt gegeven vanuit de 50 % die ze eerder als reserve heeft beschouwd, en op dat moment in de tijd dan ook tot haar beschikking is. Onder deze voorwaarden – die op zichzelf variabel zijn naargelang de keuzes die gemaakt worden – komen we tot volgende situatie :
Optie 5, herhaald
- Martine (M) : 9.900 * (10.000 / 11.000) / 2 = 4.500 of 45.45 %
- Quinten (Q) : 9.900 * (1.000 / 11.000) / 2 = 450 of 4.55 %
- Bank (B) : 9.900 * (11.000 / 11.000) / 2 = 4.950 of 50 %
Optie 6
- Martine (M) : 9.900 * 45.45 % = 4.500
- Quinten (Q) : 9.900 * 4.55 % = 450
- Bank (B) : 9.900 * 40 % = 3.960
- Piet (P) : 9.900 * 10 % = 990
In dit geval zien we dat de gekozen variabele ad. 10 % voor Piet (P) het aandeel van Quinten (Q) overschrijdt waardoor we, als we de gelijkheid willen respecteren, de percentages dienen aan te passen. Immers, het is niet de intentie om een ongelijkwaardige verdeling van de kapitaalsinjectie te induceren, net om deze reden werden diverse opties van de oefening uitgesloten (zie ook I en J). Een correctie van de verdeling kent logischerwijs verschillende opties, ofwel verlagen we het aandeel van Piet (P), ofwel verhogen we het aandeel van Quinten (Q), en dan bijgevolg ook van Martine (M) (zie optie 5). Het spreekt voor zich dat een combinatie hiervan ook mogelijk is en/of andere opties die we hieruit kunnen ventileren of vormen. Hoe we ook deze verdeling willen bepalen, rekenkundig zien we dat alle participanten er monetair beter van kunnen worden als hiertoe de bereidheid bestaat (zie E.3.). Zowel M, Q, B als P krijgen een deel van de initieel onpersoonlijke kapitaalsinjectie, en dat op basis van een rechtvaardig geachte verdeelsleutel. Hoe deze verdeelsleutel er finaal moet uitzien, ligt buiten het domein van de rekenkundige bewijsvoering, doch niet onbelangrijk wil enig succes geboekt worden (zie E 1,2 en3).
Het is duidelijk dat naargelang de keuze die gemaakt wordt, verschillende participanten eigendomsrecht verkrijgen over de initieel onpersoonlijke kapitaalsinjectie als gevolg van de mondiale deling van prijzen en lonen. Rekenkundig – en wanneer we de subjectieve gevoelswaarde buiten beschouwing laten – kunnen we er ook voor kiezen om elke participant een gelijkwaardig deel te geven, inclusief de Bank (B) die we nu als volwaardig participant beschouwen, deze optie noemen we optie 7.
Q. Optie 7, gelijkwaardige verdeling :
De Bank (B) – die beslissingsrecht heeft dewelke maatschappelijk aanvaard wordt – kiest ervoor om 25 % als reserve ‘in hand’ te houden, het overschot ad. 75 % wordt gelijk verdeeld over de andere participanten (M, Q en P). Volgens het gegeven voorbeeld ontstaat dan volgende situatie
Optie 7
- Martine (M) : 9.900 * 25 % = 2.475
- Quinten (Q) : 9.900 * 25 % = 2.475
- Bank (B) : 9.900 * 25 % = 2.475
- Piet (P) : 9.900 * 25 % = 2.475
Deze optie gaat in zekere zin voorbij aan de subjectieve waardering die op zich variabel is naargelang het standpunt van de participanten, en stelt dat elke participant een gelijkwaardig deel krijgt van de op zich onpersoonlijke kapitaalsinjectie. Vooralsnog spreken we ons niet uit hoe elkeen hierop kan reageren en/of hoe vervolgens de spontane geldcreatie kan aangewend worden. We veronderstellen dat de Bank (B), die in de oefening beslissingsrecht heeft, deze optie vooropstelt waardoor op een bepaald moment volgende situatie ontstaat binnen het economische proces :
Ter herhaling, startsituatie A, voor de mondiale deling
- Martine (M) heeft spaargeld ter waarde van 10.000, plaatst dit op de bank
- Quinten (Q) heeft spaargeld ter waarde van 1.000, plaatst dit op de bank
- De Bank (B) heeft een schuld jegens Martine en Quinten ter waarde van 11.000
- Piet (P) heeft geen spaargeld en een lening bij de bank ter waarde van 11.000
- De Bank (B) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 11.000
De stelling zei dat wanneer we mondiaal alle prijzen en lonen delen door een factor 10 (optie), het geld in omloop relatief gezien zou vertienvoudigen. Rekenkundig werd hiervoor het bewijs geleverd, in de veronderstelling dat aan de voorwaarde tot samenwerking voldaan is (zie ook E.3.), dan kan de ontstane kapitaalsinjectie op diverse manieren verdeeld worden. De kapitaalsinjectie die in eerste instantie niemand toebehoort, en afhankelijk van wie hierover beslissingsrecht heeft, zou volgens optie 2 (P(1) + M(2) + Q(2)) volledig ter beschikking gesteld worden van de Bank (B)
Optie 2, herhaald
- Martine (M) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
- Quinten (Q) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
- Piet (P) is niet rijker geworden, noch armer, koopkracht onveranderd
- Bank (B) is rijker geworden, koopkracht verhoogd met de mondiale en relatieve kapitaalsinjectie, volgens de oefening een waarde ad. 9.900
Optie 2, in getal
- Martine (M) heeft spaargeld ter waarde van 1.000
- Quinten (Q) heeft spaargeld ter waarde van 100
- De Bank (B) heeft een schuld jegens Martine en Quinten ter waarde van 1.100
- Piet (P) heeft geen spaargeld en een lening bij de bank ter waarde van 1.100
- De Bank (B) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 1.100
- De Bank (B) heeft een kapitaal ter waarde van 9.900, op dat moment ‘vrij’ geld
Vanuit deze situatie heeft de Bank (B) de volledige kapitaalsinjectie ‘in hand’ en evalueert welke optie ze vervolgens kiest, de mogelijkheden zijn gezien de variabelen die op elkaar inspelen quasi ontelbaar. De Bank (B) kiest nu voor een gelijke verdeling onder alle participanten inclusief zichzelf, zich vormend tot optie 7. Deze keuze resulteert in volgende situatie die een mondiaal karakter kent :
Optie 7
- Martine (M) heeft spaargeld ter waarde van 1.000, plus 2.475
- Quinten (Q) heeft spaargeld ter waarde van 100, plus 2.475
- De Bank (B) heeft een schuld jegens Martine en Quinten ter waarde van 1.100 (status quo)
- Piet (P) heeft geen spaargeld en een lening bij de bank ter waarde van 1.100, plus 2.475
- De Bank (B) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 1.100 (status quo)
- De Bank (B) heeft een kapitaal ter waarde van 9.900, minus 3 x 2.475 = 2.475
Rekenkundig zien we nu een situatie ontstaan die tal van opties biedt, sterk afhankelijk van wat elke participant op dat moment in de tijd beslist. Op zichzelf werd de onpersoonlijke kapitaalsinjectie ‘verpersoonlijkt’ door ze gelijkmatig te verdelen, elke speler in het economische spel is dan monetair rijker geworden (ic 2.475). We merken nu op dat een mondiale deflatieregel heel wat neveneffecten induceert. Strikt rekenkundig en vanuit het standpunt van de diverse participanten, een enkele opsomming die verdere uitdieping/evaluatie toelaten :
Martine (M)
- Haar kapitaal wordt door de maatregel verhoogd tot 3.475 (1.000 + 2.475)
- Deze verhoging betekent een rendement ad. 247.50 % (1.000/2.475*100)
- Indien Martine ervoor kiest om enkel consumptiegoederen te kopen, kan ze dat voor een waarde van 2.475, en dat zonder enig verlies in vergelijking met de situatie van voor de deling
- Indien Martine ervoor kiest om te investeren, dan kan ze hiervoor de 2.475 aanwenden
- Martine kan ervoor kiezen haar geld ter beschikking te stellen van de Bank (B), net zoals voorheen
- ….
Quinten (Q)
- Voor Quinten(Q) zien we een gelijkaardige situatie ontstaan, het rendement in verhouding tot het kapitaal ad. 100 bedraagt 2.475 %
- Nominaal heeft hij echter een zelfde waarde 2.475 ontvangen, ook hij zou ofwel consumptiegoederen kunnen aanschaffen en/of ervoor kunnen kiezen om te investeren in de economie.
- Ook hij kan z’n kapitaal ter beschikking stellen van de Bank (B)
- …
Piet (P)
- Aangezien Piet (P) in eerste instantie geen spaargeld had, ziet hij nu dat hij 2.475 tot zijn beschikking krijgt
- Hij kan dit kapitaal aanwenden en/of ervoor kiezen het als spaargeld op de bank te laten staan (= inactieve kas).
- Piet (P) heeft nog een schuld jegens de Bank (B), hij kan er dus voor kiezen dat hij z’n lening onmiddellijk aflost waardoor dan ook zijn schuld verdwijnt, in dit geval krijgen Martine (M) en Quinten (Q) hun vordering terug van de bank (wederom afhankelijk van wat de Bank (B) hieromtrent beslist)
- Wanneer hij kiest voor de onmiddellijke aflossing van zijn schuld, heeft hij nog steeds 1.375 (2.475 minus 1.100) tot zijn beschikking die hij vrij kan aanwenden.
- Piet (P) kan er ook voor kiezen om zijn schuld ad 1.100 geleidelijk af te betalen met z’n loon, net zoals voorheen. Hierdoor kan hij dan ook consumptiegoederen kopen en/of investeren in de maatschappij.
- …
Bank (B)
- De Bank (B) heeft ook 2.475 tot haar beschikking en kan opteren om hiermee Martine (M) en Quinten (Q) terug te betalen, de Bank (B) houdt dan nog steeds 1.375 over (2.475 minus 1.100).
- Wanneer Piet (P) beslist zijn lening onmiddellijk af te betalen, behoudt ze de volledige 2.475 die ze op haar beurt kan aanwenden naar keuze, aankoop van consumptiegoederen en/of investeren in de economie.
- Volgens punt 1 en 2 hierboven worden alle schulden en vorderingen geneutraliseerd, Martine (M) en Quinten (Q) hebben dan geen vordering meer op de Bank (B), de Bank (B) heeft geen vordering meer op Piet (P)
- De Bank (B) kan er – en wanneer Piet (P) zijn lening onmiddellijk afbetaald – ook voor kiezen de schuld jegens Martine (M) en Quinten (Q) geleidelijk af te betalen. Op dat moment heeft de Bank (B) 3.575 tot haar beschikking (= 2.475 van de mondiale en gelijkwaardig verdeelde kapitaalsinjectie + 1.100 die Piet (P) onmiddellijk aflost).
- …
Welke keuze de participanten ook maken, de bewijskracht blijft gelden, er is een waarde van 9.900 die op diverse manieren kan aangewend worden. De keuze om hiermee eerst de schulden af te lossen of niet, staat los van het bewijs dat een mondiale en gelijkwaardige deling van lonen en prijzen het geld in omloop relatief vertienvoudigd (bij een delingsfactor 10). Pas wanneer deze onpersoonlijke kapitaalsinjectie verdeeld wordt, ontstaan er diverse opties waaronder bvb. het onmiddellijk aflossen van schulden een mogelijkheid is. Gezien de relativiteit en het feit dat de delingsfactor op zichzelf ook variabel is, kunnen we makkelijk becijferen dat hoe groter de delingsfactor wordt, hoe sneller schulden afgelost kunnen worden. Een soortgelijke oefening met de factor 100 kan ons hiervoor het bewijs leveren, een en ander is steeds afhankelijk van de beslissing die de participanten ten individuele titel nemen.
In het beste geval worden deze beslissingen in wederzijds overleg genomen opdat het gelijkheidsbeginsel gerespecteerd blijft, wanneer dat niet gebeurd moge het duidelijk zijn dat een onevenwichtigheid kan ontstaan. Hoe de verschillende participanten reageren op deze eventuele onevenwichtigheid, is een studieobject besloten binnen de psychologische wetenschap. Echter, we kunnen denkelijk nu al (h)erkennen dat deze reacties niet losstaan van de oefening zoals voorgesteld, zowel in positieve als negatieve zin. Het resultaat van optie 7 laat ons toe de oefening verder te dragen en diverse fenomenen nader te beschouwen.
R. Intrest
Vooralsnog werd in de oefening het fenomeen ‘intrest’ buiten beschouwing gelaten om de transparantie te vrijwaren. Eenvoudig voorgesteld kunnen we intrest beschouwen als de tegenprestatie voor het ter beschikking stellen van verworven kapitaal of de gerealiseerde accumulatie in het verleden. De hoogte van de intrest is variabel en sterk afhankelijk van de duurtijd dat het kapitaal ter beschikking wordt gesteld, het kapitaal is voor de bezitter (ic Martine (M) en Quinten (Q)) op dat moment niet beschikbaar en krijgen in ruil intrest die het kapitaal verhoogt, ter waarde van die intrest zelf. Om deze intrest te garanderen, dient de Bank (B) op haar beurt intrest aan te rekenen aan diegene die verzoekt om kapitaal (ic Piet (P)). Het verschil tussen de ontvangen en betaalde intrest verschaft de Bank (B) haar werkingsmiddelen om deze administratie te financieren. De ontlener (Piet (P)) draagt enerzijds zorg voor een correcte afbetaling van het ontleende kapitaal, verhoogt met de intrest in verhouding tot de intrest en het kapitaal dat aan Martine (M) en Quinten (Q) dient terugbetaald te worden. Het geld in omloop blijft in principe onveranderd en Piet (P) draagt er zorg voor dat zowel het kapitaal als de intrest afgedragen wordt aan de Bank (B), die aan Martine (M) en Quinten (Q) overhandigd.
In functie van de oefening veronderstellen we gemakshalve dat de bank een neutrale rol heeft in dien verstande dat ze zelf geen deel van de intrest tot zich neemt, ze fungeert dan als doorgeefluik en/of administratief centrum die schulden en vorderingen registreert en ook een correcte afbetaling hiervan opvolgt. Door deze veronderstelling wordt de oefening transparanter en is de door Martine (M) en Quinten (Q) ontvangen intrest gelijk aan de door Piet (P) betaalde intrest. We vertrekken vanuit de situatie van voor de deling om vervolgens te zien welke invloed dit heeft op de verschillende participanten, waarna we evalueren in hoeverre de voorgestelde theorie hier een positieve of negatieve invloed op kan hebben, zij het rekenkundig zoals de oefening deze doelstelling herbergt :
Situatieschets voor de mondiale deling van lonen/prijzen (zie ook A) :
- Martine (M) heeft spaargeld ter waarde van 10.000
- Quinten (Q) heeft spaargeld ter waarde van 1.000
- De Bank (B) heeft een schuld jegens Martine en Quinten ter waarde van 11.000
- Piet (P) heeft geen spaargeld en een lening bij de bank ter waarde van 11.000
- De Bank (B) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 11.000
Zoals verondersteld fungeert de Bank (B) enkel als doorgeefluik en we veronderstellen een intrest ad. 10 %. Of Piet (P) nu eerst de intrest dient te betalen of eerst het kapitaal dient af te lossen, laten we hier buiten beschouwing om de transparantie te vrijwaren. Piet (P) dient op één of andere manier 11.000 + 10 % terug te betalen, zijnde 12.100. Wanneer we deze intrest reeds boeken als vordering en schuld, ontstaat volgende voorstelling :
- Martine (M) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 10.000 +10 % = 11.000
- Quinten (Q) heeft een vordering op Piet (P) ter waarde van 1.000 + 10 % = 1.100
- Piet (P) heeft een schuld jegens M en Q ter waarde van 11.000 + 10 % = 12.100
De vraag is nu waar Piet (P) deze 10 % of 1.100 vandaan gaat halen, de geldvoorraad blijft principieel ongewijzigd ter waarde van 11.000.